'Frui (vino)' is Latijn voor 'genieten (van wijn)'
Share
fru·i (latijn)
fru·i /'fru.iː/
werkwoord; deponent • vormen: frui (infinitief), fructus sum (voltooid deelwoord)
- Genieten van, zich verheugen in, ten volle benutten (geconstrueerd met de ablatief).
- De vruchten plukken van, rendement halen uit een ervaring of product.
- vi·no fru·i /'wiː.noː 'fru.iː/: Genieten van wijn; het bewust degusteren en waarderen van wijnkwaliteit.
Etymologische context & Toepassing
[vino frui = genieten van wijn]
De Latijnse term frui overstijgt het louter consumeren; het impliceert een actieve waardering van vakmanschap, herkomst en kwaliteit.
Selectie & Kwaliteit: Vino frui veronderstelt een gerichte keuze voor wijnen met een uitgesproken herkomst, een evenwichtige structuur en een boeiend smaakprofiel.